
Veel mensen in het Westen zien meditatie vooral als iets wat je zittend en in stilte doet. In de boeddhistische traditie worden echter vier meditatiehoudingen erkend: zitten, lopen, staan en liggen. Al deze houdingen kunnen een rustige, heldere aandacht voor het huidige moment ondersteunen. Na zitten is lopen zelfs de meest gebruikte vorm. In meditatiecentra en kloosters zijn er daarom vaak speciale binnenruimtes en buitenpaden voor loopmeditatie, en op retraites maakt het een vast onderdeel uit van het dagschema. Ook buiten een retraite kun je loopmeditatie opnemen in je dagelijkse beoefening, bijvoorbeeld tien of twintig minuten wandelen vóór het zitten, of kiezen voor lopen in plaats van zitten.
Loopmeditatie biedt meer dan alleen aandacht. Ze kan de concentratie versterken en ook de zittende beoefening ondersteunen. Wanneer je energieniveau laag is of je lichaam loom aanvoelt, kan lopen juist verfrissend werken. De sensaties van beweging zijn bovendien vaak eenvoudiger waar te nemen dan de subtielere gewaarwordingen van de adem tijdens het zitten. Vooral na het eten, na het ontwaken of na een lange periode van zittende meditatie kan loopmeditatie helpend zijn. Bij stress of sterke emoties voelt lopen voor veel mensen ook meer aardend dan zitten. Op langere termijn kan deze vorm van meditatie bovendien kracht en uithoudingsvermogen opbouwen.
Niet iedereen ervaart loopmeditatie op dezelfde manier. Sommigen vinden het meteen prettig en zelfs plezierig. Voor veel mensen groeit de waardering gaandeweg; het is een beetje een verworven smaak. Anderen voelen zich er niet vanzelf toe aangetrokken, maar beoefenen het toch omdat ze de waarde ervan inzien.
Kies voor formele loopmeditatie een pad van ongeveer 9 tot 12 meter en loop daar heen en weer overheen. Wanneer je het einde bereikt, stop dan volledig, draai je om, pauzeer opnieuw en begin weer. Houd je blik naar beneden gericht, zonder je op iets specifieks te fixeren. Sommige mensen vinden het prettig om de oogleden half gesloten te houden.
Het heen-en-weer lopen op één vaste route krijgt de voorkeur, omdat doelloos rondlopen de geest steeds opnieuw laat beslissen welke weg te nemen. Ook het ontwijken van obstakels of kiezen waar je je voet neerzet kost mentale energie. Als het pad eenmaal vertrouwd is, kan dat probleemoplossende denken juist tot rust komen.
Cirkelvormig lopen wordt soms gebruikt, maar kan het makkelijker maken dat een afdwalen van de geest onopgemerkt blijft. De korte pauze aan het einde van een heen-en-weer traject helpt juist om te merken wanneer de aandacht is weggedreven.
Zoek een tempo dat comfortabel voelt. Meestal is langzamer lopen dan normaal aan te raden, al kan de snelheid variëren. Sneller lopen kan behulpzaam zijn wanneer je gejaagd of slaperig bent. Als de geest kalm en alert is, voelt langzamer lopen vaak natuurlijker. Je tempo mag zelfs binnen één oefenperiode veranderen. Let vooral op welk ritme je het meest verbonden houdt met de lichamelijke ervaring van het lopen.
Wanneer je een prettig ritme hebt gevonden, laat de aandacht dan in het lichaam zakken. Soms kan het rustgevend zijn om je voor te stellen dat het lichaam jou meeneemt voor een wandeling.
Breng daarna de aandacht naar de voeten en onderbenen. Waar de adem bij zittende meditatie vaak het anker vormt, is dat bij loopmeditatie de afwisselende beweging van de voeten.
Voel elke stap. Merk op hoe benen en voeten zich inzetten bij het optillen van het been, de beweging naar voren en het contact van de voet met de grond. Er is geen enige juiste ervaring; observeer simpelweg wat er werkelijk gebeurt. Telkens wanneer de geest afdwaalt, keer je terug naar de sensaties van het lopen. Het waarnemen van het ritme van de stappen kan helpen om de aandacht continu te houden.
Je kunt ook een stille mentale aanduiding gebruiken, zoals “stappen, stappen” of “links, rechts”. Daarmee geef je de denkende geest een eenvoudige taak, waardoor hij minder snel afdwaalt. Bovendien wordt de aandacht zo opnieuw naar de voeten geleid. Merk je later dat de labels omgekeerd zijn, dan is dat een teken dat de aandacht is afgedwaald.
Bij heel langzaam lopen kun je elke stap opdelen in fases en de traditionele labels “optillen, neerzetten” gebruiken. Bij nog langzamer lopen kun je “optillen, bewegen, neerzetten” toepassen.
Blijf bij de sensaties van het lopen en laat al het andere los. Als sterke gedachten of emoties je aandacht steeds wegtrekken, is het vaak verstandig om te stoppen en daar eerst direct bij stil te staan. Wanneer ze niet langer zo dwingend zijn, kun je terugkeren naar de loopmeditatie. Trekt iets moois of interessants je blik en kun je het niet loslaten, stop dan en doe eerst “kijken”-meditatie, waarna je weer verder loopt.
Sommige mensen merken dat de geest tijdens lopen actiever is dan tijdens zitten, misschien omdat het lichaam beweegt en de ogen open zijn. Laat je daardoor niet ontmoedigen. Juist dan kan lopen bijzonder waardevol zijn om te leren oefenen met de alledaagse geest.
Je kunt jezelf trainen om aanwezig te zijn telkens wanneer je loopt, ook in eenvoudige momenten zoals door een gang lopen thuis of op het werk, of van je auto naar je werkplek wandelen.
Omdat we in het dagelijks leven veel meer lopen dan stilzitten met gesloten ogen, kan loopmeditatie een krachtige brug vormen tussen formele beoefening en het gewone leven. Zo ondersteunt ze meer aanwezigheid, mindfulness en concentratie in alledaagse activiteiten.
Gil Fronsdal

Prijs
Op aanvraag
Neem rechtstreeks contact op met de organisator voor prijsinformatie